Anonieme bijdrage door pensioenexpert.

De financiële houdbaarheid van ons pensioenstelsel krijgt terecht veel aandacht, maar er stelt zich een even ingrijpend probleem van sociale houdbaarheid. Dat geldt zowel naar de minimumbescherming toe – de te lage Inkomensgarantie voor Ouderen en de vele lage pensioentjes – als naar de levensstandaardbeveiliging – de gebrekkige aanpassing van de pensioenen aan de welvaartsevolutie, de snelle aftopping bovenaan en de tweede pijler die onvoldoende mensen bereikt -. Tegelijk is er werk aan de winkel om het pensioenstelsel meer aanvaardbaar te maken. Daarvoor is een discussie nodig over: een herziening van de gelijkgestelde periodes, de overlevingsvoorzieningen voor uit de echt gescheidenen en ongehuwd samenwonenden, de verschillen tussen de stelsels van werknemers, zelfstandigen en ambtenaren, de uitkering van tweedepijlerpensioenen onder de vorm van eenmalige kapitaalsuitkeringen, de fiscale voordelen voor de derde pijler, de overgang van een pensioenleeftijd naar een vereiste loopbaanduur, de koppeling van die loopbaanduur aan de evolutie van de levensverwachting en nieuwe afspraken over de toegelaten arbeid.

Lees hier de volledige impulsnota: Impuls #71 – Sociale houdbaarheid van onze pensioenen

Tagged with →  
Share →

4 Responses to Sociale houdbaarheid van onze pensioenen

  1. christina bohy zegt:

    het doet mij ‘goed’ te vernemen dat er ECHT werk gemaakt wordt i.v.met “onze” pensioenen !! de voorbije werk-periode gerespecteerd wordt EN aangepast aan de huidige maatschappelijke evolutie.

  2. Het voorstel om het pensioen te linken aan de gewerkte duur is onvoldoende uitgewerkt. Men spreekt van gewerkte jaren, maar dat is niet nauwkeurig genoeg. Mij lijkt het veel beter te tellen in gewerkte uren. Daarbij kan men al vanaf een studentenjob (een beetje) bijdragen aan de berekening van zijn pensioen. Wie een op voorhand afgesproken (door de sociale partners te bepalen) aantal gewerkte uren bereikt heeft, kan dan op pensioen gaan. Wie dat aantal nog niet bereikt heeft kan een pensioen in verhouding krijgen. Wie meer uren gewerkt heeft, krijgt dan een pensioen dat hoger is.

  3. a. kerkhove zegt:

    De maatschappelijke evolutie is weg van het model man werkt 45 jaren voltijds en vrouw is thuis en krijgt afgeleide rechten. Gemiddeld wordt er meer uren gewerkt met sociale bijdragen als de totale bevolking genomen wordt dan toen het systeem uitgewerkt werd met het oude gezinsmodel: vooral vrouwen dragen veel meer bij aan sociale zekerheid en belastingen dan vroeger. De individuele rechten zijn lager dan de gezinsrechten. Voor 2 halftijdsen die als gezin even uren werken en evenveel verdienen als één voltijdse en één thuisblijver zijn veel minder rechten op pensioen. Evenveel werken en bijdragen als man en vrouw in een gezin wordt nu nog altijd bestraft in ons systeem. Deeltijdsen hebben dikwijls meer bijdragen dan zelfstandigen, en toch krijgen ze niet dezelfde rechten op minima: waarom is daar geen geld voor? Zorg voor voldoende sociale voorzieningen om opvoeding van kinderen te ondersteunen, en te combineren met (voltijds) werk. Maak voltijds werk een loopbaan lang werkbaar iedereen, combineerbaar met een familiaal en sociaal leven… ook voor alleenstaande ouders!
    Schuldgevoel aanpraten over onvoldoende werken nu dient om inleveren op rechten in de sociale zekerheid goed te praten om de bijdragen aan de werkgevers geschenk te doen.

  4. De pensioenen, net als alle andere sociale uitkeringen trouwens, worden het best gedeeltelijk geïndividualiseerd. Eigenlijk zou men bij het opbouwen van het recht op pensioen en het berekenen van het pensioen een goed ‘huwelijk’ moeten vinden tussen enerzijds kapitalisatie en individualisme en anderzijds solidariteit en betaalbaarheid. Stel dat men enkel als individuele persoon recht heeft op zijn zelf opgebouwd pensioen. Dan zullen er wellicht ouderlingen zijn die geen of onvoldoende pensioen krijgen. Stel dat iedereen hetzelfde pensioen krijgt. Dan zullen er wellicht ouderlingen zijn die veel te veel bijgedragen hebben in verhouding tot het pensioen dat ze ontvangen. Stel dat iedereen het (gezins- of overlevings) pensioen ongelimiteerd ontvangt waarop hij/zij/het gezin recht op heeft. Dan zal de overheid daarvoor (gezien het omslagsysteem en de demografische evolutie) onvoldoende middelen hebben om die pensioenen te betalen. Toch is het perfect mogelijk om een wiskundig model te maken dat al deze veronderstellingen uitvoerbaar maakt. Bovendien is zo’n model, gezien de vrij eenvoudige constructie, zeer goedkoop te controleren, als er al controle nodig zou zijn. Het bestek van deze reactie laat niet toe om in detail te treden maar de kenrzaken van zo’n model zijn:
    1. Bouw het recht op pensioen op door de gewerkte (en gelijkgestelde) uren (geen dagen, weken, maanden, jaren, maar kleinste gemeen veelvoud). Het bereiken van een bepaald contingent ‘pensioenuren’ geeft het recht om de uitkering te bekomen, maar niet de plicht om met werken te stoppen. Vroege beginners, harde urenkloppers (overuren worden als gewone uren betaald) zullen sneller hun pensioenrecht bereiken. Late instappers, sectoren met lage wekelijkse werkduur (bv 35-uren week), Veel verlofnemers en loopbaanonderbrekers (want volgens mij niet behorend tot gelijkgestelde uren mbt pensioen) zullen wat meer tijd nodig hebben om het pensioenrecht te bereiken.
    2. Bereken het pensioen op alle gewerkte en gelijkstelde uren waarop pensioenbijdrage betaald is. Begin al vanaf de studentenjob een kleine bijdrage te vragen. Mijns inziens is het best mogelijk om een vast percentage op het bruto(uur)loon als pensioenbijdrage te laten afhouden. Eveneens mijns inziens is het niet nodig om de werkgever ook nog eens om een bijdrage te vragen. Bekijk het als een verzekering. Diegene die de premie betaalt is de begunstigde. Daardoor zien de werkgevers hun deel van de sociale bijdragen al wat zakken maar zullen misschien de brutolonen wat omhoog moeten.. Uiteraard mag de werknemer de betaalde pensioenbijdrage fiscaal vrijstellen in de personenbelasting.. De berekening is eenvoudig: tel alle uren en het daarbij verdiende brutoloon op, deel het ene door het andere en je krijgt het gemiddelde uurloon dat over de hele carrière verdiend is. Vermenigvuldig dat uurloon met de gangbare maandelijkse arbeidsduur.
    3. Solidariteit. Het hierboven berekende pensioen is berekend op het bruto uurloon en dus zelf ook een bruto pensioen. Dat pensioen is dus ook belastbaar. Vermits er geen pensioenbijdrage meer moet betaald worden is dat dus integraal belastbaar in de personenbelasting. Het pensioenbedrag moet echter ook nog enkele correcties ondergaan. Zo is er het minimumbedrag dat nodig is om als individu (want gezinspensioen is in mijn plan afgeschaft). Ik situeer dat minimum op ongeveer de helft (want meestal hebben gepensioneerden geen kinderen meer ten laste) van wat nu als minimum gezinsinkomen bestaat. Door deze individuele uitkering denk ik dat er ook nog een meer rechtstreekse solidariteit zal ontstaan. Gepensioneerden met een laag pensioen zullen (in een of andere vorm) gaan samenwonen om de huisvestingskosten te delen. Controle op samenwonen van twee (of meer) ‘alleenstaanden’ wordt overbodig. Het is ook denkbaar dat de overheid de zeer hoge pensioenen niet kan betalen (want het omslagsysteem blijft bestaan). Eerder dan een plafond in de uitkering als bedrag te bepalen, lijkt het mij veel eerlijker dat een plafond in percenten uitgedrukt wordt. Bijvoorbeeld zou men kunnen bepalen dat iemand die recht heeft op 5 maal het minimum pensioen geen 100% maar iets minder van zijn uitkering krijgt. Daarbij moet men wel rekening houden met het feit dat een hoger brutopensioen ook leidt tot een hogere aanslag in de personenbelasting.
    4. Andere uitzonderingen. Er zijn bijvoorbeeld huisvrouwen/-mannen die nooit voldoende ‘pensioenuren’ zullen opbouwen. Daarvoor heb ik ook een vrij eenvoudig en zeer transparant systeem bedacht. Maar dat leg ik wel eens een andere keer uit.

Geef een reactie