Samira Castermans en Hilde Linssen zijn stafmedewerkers van het Netwerk tegen Armoede.

Wie werk aanduidt als hét middel in de strijd tegen armoede, gaat er vanuit dat armoede louter een inkomensprobleem is. Voldoende inkomen is een noodzakelijke voorwaarde om uit armoede te geraken, maar het is niet voldoende. Een sterk armoede bestrijdend verhaal focust naast werk, ook op vooruitgang op andere domeinen en dient aandacht te hebben voor het versterken van mensen. Een job kan een degelijk inkomen, een sociaal netwerk, een zinvolle dagbesteding… bieden. We zien echter in de praktijk dat mensen in armoede vaak toegang hebben tot jobs die kortstondig, ongezond, zwaar en/of slecht betaald zijn. De instabiliteit en onzekerheid, dat hiermee gepaard gaat, verzwaren de armoedeproblematiek eerder, dan het op te lossen. Een job kan dus pas een hefboom zijn om uit de armoede te geraken, als het een kwaliteitsvolle, duurzame, goed betaalde job is, op maat van de werkende. Om mensen in armoede, de meest kwetsbaren, uit armoede te helpen, dient er ingezet te worden op een integrale benadering, waarbij een kwaliteitsvolle, duurzame job slechts één van meerdere instrumenten zal zijn.

‘Ik wil graag nog iets betekenen voor de maatschappij, mijn steentje kunnen bijdragen, net als ieder ander.’

M.L. 50 jaar, uitkeringsgerechtigd en PWA-medewerker

Lees hier de volledige impulsnota: Impuls#48 – Castermans Linssen – Is activering een hefboom uit armoede

 

Share →

One Response to Castermans & Linssen – Is activering een hefboom uit armoede?

  1. Jo Fobelets zegt:

    Zeer sterke analyse van Samira Castermans en Hilde Linssens van het Vlaams Netwerk tegen Armoede. Ik ben het eens met hun nota. Het bevestigd ook wat ik eerder als reactie schreef op de impulsnota van Marc Leemans.

    De versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen is vorig jaar inderdaad verkocht als een activeringsmaatregel.

    Ik vraag me af of dit wel echt een activeringsmaatregel is. Vooraleerst is deze maatregel weinig selectief. Hoe snel je uitkering daalt , hangt af van hoeveel jaren je hebt gewerkt. Of je tijdens uw periode van werkloosheid nu hard zoekt achter werkt of bewust niet zoekt achter werk maakt niet uit. Iedereen wordt getroffen door deze versterkte degressiviteit ongeacht uw zoekintensiteit. De VDAB volgt , in het kader van het bestaande activeringsbeleid op Vlaams niveau, bepaalde groepen werkzoekenden op en begeleid hen op zoek naar werk of een opleiding. Als de VDAB het gevoel heeft dat de werkzoekende niet voldoende meewerkt kan de VDAB het dossier doorverwijzen naar de RVA die de werkzoekende verder opvolgt. Wanneer de ’facilitator’ van de RVA na het eerste gesprek besluit dat de werkloze onvoldoende inspanningen heeft geleverd, wordt een contract met verbintenissen en concrete acties opgesteld. Indien de beoordeling van de naleving van dit contract negatief uitvalt tijdens het tweede gesprek, krijgt de werkloze een beperkte sanctie , bv een tijdelijke ( al dan niet gedeeltelijke ) uitsluiting van werkloosheidsuitkering. Deze sancties komen bovenop de versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkering, waardoor de uitkering nog verder onder de Europese armoedegrens zakt.

    Het zullen mensen in armoede ( die vaak sociale uitsluitingen met structurele oorzaken ervaren op de arbeidsmarkt en hierdoor moeilijk een job vinden) zijn die het meeste met deze versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen en sanctionerend luik van ‘t activeringsbeleid geconfronteerd worden, met groeiende sociale ongelijkheid tot gevolg.

    Daarom vind ik de structurele verankering van zulke trajecten op maat van de belevingswereld van maatschappelijke kwetsbare mensen enorm belangrijk. De nota duidt ook heel goed aan dat het enorm belangrijk is dat we sociale uitkeringen hebben die boven de Europese armoedegrens liggen.

    Tot slot maak ik mij meer en meer zorgen voor een groeiende tendens in onze samenleving, nl het kijken naar sociale thema’s vanuit het individueel schuldmodel. Dit model legt de oorzaken van ( langdurige ) werkloosheid en armoede volledig en alleen bij het individu: door hun luiheid, omdat ze niet willen studeren en willen werken, een gebrek aan verantwoordelijkheid en doorzettingsvermogen, enz. Het deelt de mensen op in ‘deserving’ werkloze en arme en ‘non-deserving’ werkloze en arme: zij die het verdienden om geholpen te worden en zij die het aan uw eigen hebben te danken en dus niet verdienen om geholpen te worden. Het is dus niet omdat je formeel in aanmerking komt voor steun van de gemeenschap dat je die ook daadwerkelijk krijgt; je moet die steun verdienen. Doe je dat niet, dan word je uitgesloten voor bepaalde vormen van maatschappelijke dienstverlening.
    Dit individueel schuldmodel stigmatiseert mensen in armoede en werkzoekenden en minimaliseert en/of ontkent de knelpunten en sociale uitsluitingen met structurele oorzaken die een groeiend aantal mensen ervaren op tal van levensdomeinen.

Geef een reactie